06-34017756

Willem Frederik Hermans en de Noordoostpolder

 

Een verrekijker bij venster 9 : Ontginnen, woeste gronden in cultuur gebracht 

door Theo Gaasbeek

 

Klik hier om dit artikel als PDF bestand te lezen.

 

Een gevierd schrijver komt in aanraking met de Noordoostpolder in wording. Niet als auteur maar als geograaf op excursie tijdens zijn studie. Pas na de oorlog wordt Hermans schrijver en vervolgens beroemd. Hij schijnt de eerste schrijver te zijn die over dit gebied geschreven heeft. Of Hermans zo enthousiast was over de nieuwe polder, dat is nog maar de vraag. In deze verrekijker wordt de schrijver Hermans in zijn tijd geplaatst en worden aanrakingspunten met onze polder belicht. Soms is het even lastig je te verplaatsen in de tijd van toen. De auteur geeft een beeld van die tijd en van de schrijver Hermans in die tijd. Soms trek je de wenkbrauwen even op, maar verrassend is het wel [wl]. 

Begin 2014 verscheen het tiende nummer van het tijdschrift De God van Nederland.1 Het was geheel gewijd aan de eerste Nederlandse schrijver van formaat die ooit een bezoek bracht aan de Noordoostpolder, Willem Frederik Hermans. Samen met Gerard Reve en Harry Mulisch wordt Hermans gerekend tot De Grote Drie, maar dat was later. Zijn bezoek aan de polder moet midden in de Tweede Wereldoorlog hebben plaatsgehad; een beroemd schrijver werd hij pas na de oorlog. Hij kwam hier niet als auteur, maar als geograaf. 

De aanleiding voor het themanummer van De God van Nederland was het verschijnen van deel 1 van de Hermansbiografie, De mislukkingskunstenaar, geschreven door Willem Otterspeer.2 

Erg gelukkig waren de tijdschriftmedewerkers niet met dit vuistdikke boekwerk. Volgens hen wemelde de biografie van de fouten, ontbrak er van alles en nog wat en vergaloppeerde professor Otterspeer zich regelmatig als hij aan het interpreteren sloeg. Alles bij elkaar voldoende reden voor de redactie om hem consequent ‘professor Etterspoor’ te noemen. Toch werd er in het tijdschrift een zin aangehaald uit de gewraakte biografie die mijn onvoorwaardelijke belangstelling had, een zin die een bel deed rinkelen: “Op dinsdag 25 februari 1941 om halfvier haalde hij een 8 voor het tentamen van Ter Veen.” 


De vader van WF Hermans (WFH archief) 5 

Hermans werd geboren in 1921 en groeide op in Amsterdam. Hans van Straten schrijft in zíjn Hermansbiografie, Hermans: zijn tijd, zijn werk, zijn leven onder meer: “Hij kwam ter wereld in een gezin met een tiran van een vader. (...) Moeder Hermans was weliswaar een brave vrouw, maar wel een die bij alle voorkomende conflicten – en dat zijn er nogal wat geweest – de partij koos van haar echtgenoot.”6 Want dat hoorde nu eenmaal zo. 2 

Hermans had één zus: Corrie. Ze was drie jaar ouder dan hij, maar veel steun had hij niet aan haar. Van Straten: “Alles wat haar broer misdreef, alle verboden spelletjes, al het kattenkwaad dat hij uithaalde, briefde zij onmiddellijk over aan vader en moeder.” Het is misschien moeilijk te rijmen met zijn latere stoere imago, maar in zijn jeugd werd Hermans bovendien vreselijk gepest. Geen wonder dat hij zijn heil zocht in boeken. Bij gebrek aan voldoende zakgeld, leende hij de meeste uit de schoolbibliotheek.7 

Over twee boekjes die hij in 1934 leende, kon hij tientallen jaren later nog steeds lyrisch worden: een geologieboekje voor beginnende amateurs en een boekje over stenen verzamelen. Hij begon in zijn pubertijd zelf stenen te zoeken, vooral tijdens vakanties op de Veluwe en in Limburg. De dode natuur vond hij honderd keer interessanter dan de bloemetjes en plantjes waar zijn moeder en zus op uit waren.8 


WFH met zusje (WFH archief) 9 

Vanuit diezelfde belangstelling wilde hij na de zomer van 1940 ongetwijfeld geologie of fysische geografie gaan studeren, maar daar zag zijn vader geen toekomst in. Het werd een compromis: sociale geografie. 3 

Plechtigheid voor eerstejaars, in het toen nog Koloniaal Instituut geheten Instituut voor de Tropen. Herfst 1940. Hermans is 2e van links, helemaal achteraan. Ter Veen(?) 2e van links, rij 4 van boven (uitgeverij Thomas Rap, Amsterdam, 1969).10

In de voorafgaande jaren meldden zich steevast een stuk of tien studenten voor deze betrekkelijk nieuwe studie. In 1940 waren het er ruim drie keer zoveel. De onzekerheid die de oorlog met zich meebracht, was hier eerder debet aan dan een plotselinge, onverklaarbare populariteit van deze tak van aardrijkskunde. De docenten waren er niet blij mee: hoe moesten al die mensen na hun afstuderen in vredesnaam een baan vinden? Een vraag die Hermans met succes aan zijn vader moet hebben doorgespeeld. Een jaar later kreeg hij alsnog zijn zin en stapte hij over op de studie fysische geografie.11 


Zelfportret WF Hermans,1940 (WFH archief) 12 

Maar laten we niet te hard van stapel lopen. Even terug naar het zinnetje dat bij mij een bel deed rinkelen: “Op dinsdag 25 februari 1941 om halfvier haalde hij een 8 voor het tentamen van Ter Veen.” Het tentamen waarvoor hij in 1941 een 8 kreeg, moet nog een tentamen sociale geografie zijn geweest, want het eerste studiejaar maakte hij netjes af. Al had het vak niet echt zijn belangstelling, hij gooide er kennelijk niet met de pet naar. Hermans studeerde aan de Universiteit van Amsterdam, waar hij dus les kreeg van ene Ter Veen. Nu waren er meer mensen met die naam, maar hoeveel van hen waren sociaal geograaf? 

Henri Nicolaas ter Veen was van 1933 tot zijn dood in 1949 hoogleraar sociografie te Amsterdam. In 1925 studeerde hij af op het proefschrift De Haarlemmermeer als kolonisatiegebied – een soort staalkaart van wat er allemaal mis kon gaan als er nieuw land vrij werd gegeven zonder overheidsbemoeienis.13 Een jaar later trad Ter Veen toe tot een door de regering ingestelde commissie die een beduidend betere aanpak moest bedenken voor de Zuiderzeegronden. Het zijn de ideeën van Ter Veen geweest die de basis vormden voor de selectiemethode die bij de uitgifte van de Noordoostpolder is toegepast. 14 (Zie ook venster 18 “De selectie van de toekomstige bewoners: het Uitgifteplan en het model Ter Veen” van de Canon De Noordoostpolder). 5 


Henri ter Veen (tussen 1930 en 1949); vervaardiger: Zimmerman
(Universiteit van Amsterdam/collectie Universiteitsgeschiedenis).15 

Een medestudent van Hermans keek in 1995 terug: “Je moet bedenken dat de sociale geografie een vak was dat zich werkelijk met alles bemoeide. Van volkenkunde tot mineralogie, je kon het zo gek niet verzinnen of het werd tot de sociale geografie gerekend.” 16 Voor die brede aanpak was vooral Ter Veen verantwoordelijk. Otterspeer: “Onder zijn leiding ontplooide de Amsterdamse sociografie zich als een school waar op een breed terrein onderzoek gedaan werd, zowel op het gebied van de beschrijving van geografische eenheden (steden, regio’s, dorpen) en beroepen (allerlei vormen van nering en organisatie, industrialisatie en moderniseringsprocessen.” Ook buiten de universiteit was Ter Veen actief. De oprichting van de Zuiderzeestichting, voor onderzoek naar de bevolking van de drooggelegde Zuiderzeepolders, was slechts één van zijn initiatieven.17 

Hij moet een veeleisend man zijn geweest, voor zichzelf maar ook voor zijn studenten. Zijn colleges worden omschreven als ‘uiterst intensief’. De studenten moesten boeken lezen in drie vreemde talen. Een tweedejaarscollege over de sociografie van Japan, dat uiteindelijk in een boek resulteerde, werd ook door Hermans bijgewoond. Hermans’ aantekeningen “laten een aaneengeregen betoog zien dat aanvangt met de economische sociografie van Japan, het fysieke milieu en klimaat in kaart brengt, de grondstoffen behandelt en ook de infrastructuur, de industrie, de demografie, het sociale leven, landbouwpolitiek en migratie, verstedelijking en industrialisatie, hof, religie en familie. Wie het gevolgd had, had een goed beeld van een nieuwe wereldmacht.”18 

In 1942 zette Ter Veen zijn ideeën voor de uitgifte van het nieuwe land nog eens uiteen in De kolonisatiepolitiek in den Noordoostpolder.19 Zou Hermans dit boekje hebben gelezen? Zeker is dat Hermans – inmiddels van studie geswitcht en opgeklommen tot assistent van fysisch geograaf dr. J.P. Bakker – in 1943 en 1944 Kampen bezocht. In een brief lichtte hij later toe: “om het bodemkundig laboratorium voor de Noord-Oost Polder te bekijken.”20 Daarbij stond in 1943 ook een excursie naar Emmeloord op het programma – per auto, met een houtgasgenerator op het dak.15 Wat hij aantrof, valt terug te lezen in zijn roman De tranen der acacia’s.21 Leuk? Hm. 6 


Omslag 1e druk De Tranen der Acacia’s, 1949. Ontwerp Juus Hartman (WFH archief) 22 

Nogmaals terug naar dat ene zinnetje uit De mislukkingskunstenaar van Willem Otterspeer: ‘Op dinsdag 25 februari 1941 om halfvier haalde hij een 8 voor het tentamen van Ter Veen.’ Ik kwam het zinnetje tegen in het Hermansnummer van De God van Nederland. Bij de tijdschriftredacteuren ging een andere bel rinkelen dan bij mij. De reden dat ze het zinnetje citeerden, had te maken met de datum. Op 25 februari 1941 brak de Februaristaking uit: de massale protestdemonstratie tegen de eerste razzia’s op Joden. De tijdschriftredactie had liever in de biografie gelezen hoe Hermans tegenover deze actie stond, dan welk cijfer hij die dag voor zijn tentamen kreeg. Waarom staakte hij niet mee? De vinger op de zere plek.23 

Op 5 februari 1943 werd generaal H.A. Seyffard geliquideerd door – nam men aan – twee studenten (leden van de verzetsgroep CS 6). Voor Höhere SS- und Polizeiführer Rauter reden om grootscheepse razzia’s in universiteitssteden te organiseren. Zonder veel succes, de meeste studenten zagen kans onder te duiken, terwijl er meer aanslagen volgden. Uiteindelijk besloot Rijkscommissaris Seyss-Inquart tot een vreedzame oplossing: “van alle studenten eiste hij tussen 10 en 13 april een loyaliteitsverklaring, dat wilde zeggen: een verklaring waarin zij beloofden niets te ondernemen tegen de Duitse bezettingsmacht.”24 7 


Onderduikers bezig met het graven van een tocht, omgeving Marknesse (Nieuw Land Erfgoedcentrum (GA Noordoostpolder),1943; Fotocollectie Roel Winter).25 

Van de 14.600 studenten die aan Nederlandse universiteiten stonden ingeschreven, hebben er iets meer dan 2000 de verklaring getekend.26 Heel wat van de weigeraars kwamen naar de NOP; het ‘Nederlands Onderduikers Paradijs’.27 Hermans kwam ook naar de NOP, maar niet om, zoals zij, tewerkstelling in Duitsland te ontlopen; hij kwam ‘op excursie’. Zijn hele leven heeft hij volgehouden de loyaliteitsverklaring voor studenten nooit te hebben ondertekend. Hij vertelde er niet bij dat dat ook niet hoefde, omdat hij als assistent op de universiteit al de ambtenarenverklaring had getekend, die daar vrijwel woordelijk mee overeenkwam.28 

Hermans liet zich erop voorstaan dat hij zich niet naar Duitsland had laten transporteren om dwangarbeider te worden. Toch meldde hij zich op 6 mei 1943, na een oproep, bij het bureau van de SD om... naar Duitsland te worden getransporteerd voor de Arbeitseinsatz. Alle voorgeschreven bagage – extra kleding, werkschoeisel, ondergoed en wollen dekens – had hij bij zich. Hij mocht een tijdje in een wachtkamer plaatsnemen. Er zat verder niemand. Na een tijdje stuurde de SD hem weer naar huis. Men was niet geïnteresseerd.29 Het is maar de vraag of je daar trots op moet zijn. 8 


Het kaartje waarmee Hermans zich aanmeldde voor de Kultuurkamer
(NIOD – Collectie 104; Nederlandsche Kultuurkamer).30 

In de oorlog was Hermans een nogal laffe meeloper. Hij was bepaald niet de enige. Hij had alle kans zich te onderscheiden; diverse leden van verzetsgroep CS 6 – die zich aanvankelijk alleen met sabotage bezighield, maar in 1943 was uitgegroeid tot de gevaarlijkste verzetsgroep die in Nederland actief was – kende hij persoonlijk.31 Maar Hermans’ illegale activiteiten gedurende de hele oorlog beperkten zich tot het kappen en wederrechtelijk opstoken van één boom gedurende de Hongerwinter.32 Ik zal hem er niet om veroordelen, ik weet niet of ik zoveel dapperder zou zijn geweest. Maar als je je driekwartjaar vóór het ondertekenen van de ambtenarenverklaring ook al bij de Kultuurkamer hebt gemeld, mag je na de oorlog wel een toontje lager zingen.33 

Er zijn echter weinig mensen die zo de spot hebben gedreven, die zich zo sarcastisch over het Nederlandse Verzet hebben uitgelaten, als juist Hermans. Eindeloos stak hij de draak met mensen die vlak voor de bevrijding nog snel even bij het verzet gingen. In het tijdschrift Hollands Diep maakte Hermans zich in 1976 vrolijk over mensen die een pakje sigaretten op de zwarte markt kochten als verzetsdaad: “want a) het is verboden en b) elke sigaret die door een vaderlander wordt opgerookt, komt in elk geval niet aan het front, bij de SS terecht.” Maar ook de enkelen die meer deden, stelt hij even later, hadden geen reden zich op de borst te kloppen. Een uitspraak die hij niet nader toelicht.34 

Een paar alinea’s verder geeft hij af op iemand die niet met name wordt genoemd. Over dapper gesproken. Citaat: “Ik heb in die oorlogsdagen onder het gehoor gezeten van een professor die geen college geven kon, zonder minstens eenmaal uit te roepen: ‘Ons tijdsgewricht eist bezinning!’ En zo was het. Hij had dan ook maar alvast een racistisch boek: Günther, Rassenkunde des Deutschen Volkes op de literatuurlijst gezet. Uit Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog Deel 7 van L. de Jong heb ik vernomen dat die geleerde ook nog eens een vervolgde en radeloze joodse overbuurvrouw in zijn huis heeft gehad. Twee dagen, langer kon het niet. Waarom het niet langer kon, wordt er niet bij verteld.”35 9 

Later werd dit artikel opgenomen in de bundel Houten leeuwen en leeuwen van goud. De naam van de professor wordt nog steeds niet genoemd, althans niet in de tekst. Het boek is evenwel voorzien van een namenregister en daarin treffen we een verwijzing aan naar pagina 245, de pagina met het bovenstaande citaat. Die paginaverwijzing in het register staat vermeld achter de naam Prof. Dr. H.N. ter Veen.36 

Was Ter Veen een racist? Ik weet te weinig van hem af om hem in bescherming te nemen. Otterspeer vergelijkt hem met een burgemeester in oorlogstijd “die schipperde om onderzoeksinstituten open te houden. Dit betekende dat hij na de oorlog aanvankelijk geschorst werd, maar hij kreeg bijval van belangrijke verzetsmensen en de zuiveringscommissie zuiverde hem van alle blaam.”37 Het voorschrijven van een boek over ‘rassenkunde’ past binnen begin twintigste eeuw wijdverbreide wetenschappelijke theorieën als het Sociaal Darwinisme en de eugenetica die “pas na de Tweede Wereldoorlog in een kwaad daglicht komt te staan, als duidelijk wordt tot welke onmenselijke gruwelijkheden de nazistische uitleg ervan heeft geleid. Met Auschwitz als eindstation. Tot ver in de oorlog zijn wetenschappers als Ter Veen zich van geen kwaad bewust.”38 

Over die joodse overbuurvrouw heb ik niets terug kunnen vinden bij L. de Jong. Misschien had Ter Veen goede redenen om deze vrouw niet langer bij hem te laten onderduiken. Misschien had hij een veiliger plek voor haar gevonden. Of misschien was hij inderdaad bang. Twee dagen een joodse vrouw bij je laten onderduiken sla ik hoe dan ook hoger aan als verzetsdaad dan sigaretten kopen op de zwarte markt. Of een boom kappen voor in de kachel. 

Dit alles laat natuurlijk onverlet dat Hermans een belangrijk schrijver was en De tranen der acacia’s een belangrijke roman – de eerste roman bovendien waarin de Noordoostpolder wordt beschreven. Daarom tot besluit een ruim citaat uit dit boek: 


Overzicht van de Noordoostpolder, gemaakt door Henk Rotgans, 1943
(Tekeningencollectie Erfgoedcentrum Nieuw Land; Collectie Henk Rotgans).39
10 

“De wagen reed langs een water en ging daarna een zijweg in. De zijweg liep dwars uit op een dijk, klom er tegen op en daalde er aan de andere kant weer af. Achter de dijk lag tot aan de horizon een grauwgrijze vlakte, volkomen kaal. Zij stopten bij een plaats waar enige geweldige hangars stonden, opgetrokken van met gele carbolineum geverfd hout en door rode pannen gedekt. Die schuren waren omringd door losse mechanische onderdelen, sommige nieuw, andere verroest. Een aantal eveneens geel geverfde tractors stonden op een rij. Meeuwen krijsten er wild omheen, alsof zij terugkwamen van een pooltocht. 

(...) 

Daarna reden zij nog een eind de polder in, totdat de weg plotseling niet meer geëgaliseerd was. De chauffeurs bleven zitten, Oskar en de twee ingenieurs stapten uit. Vlakbij sleurde een tractor een enorme ploeg door de klei, waar hij repen van een meter hoog van afscheurde. De meeuwen doken naar slakken en wormen. Er was een vaart langs het pad gegraven, waarin geen water stond. Niets werd gehoord dan het hoge gehuil van de tractor en het gekrijs van de meeuwen. De ingenieurs droegen om de beurt een koffer van Oskar, waar deze onder protest had toegestemd. Er is hier niets dan grijze lucht en grauwe aarde, neen, volstrekt niets anders, behalve dit en de barakken. Het leek of er haast geen mensen werkten, of dit gebied door een plooiing in de aardkorst vanzelf boven water was gekomen.”40 

Tot slot: In de loop der tijden hebben velen de Noordoostpolder bezocht. Hermans was er een van. De typering die Hermans geeft van de nieuwe polder is niet zo positief. Veel andere bezoekers van de polder hebben zich echter over de ontstaansgeschiedenis van de polder verwonderd en erkend dat wat hier door mensenhanden tot stand is gebracht een prestatie van formaat is geweest [wl]. 

Over de auteur 

Theo Gaasbeek(1957) is geboren in Rhenen en studeerde af aan de Frederik Muller Akademie. Hij woont in Marknesse. Met zijn eenmansbedrijf 'de Taalkoning' houdt hij zich bezig met het vertalen van de meest uiteenlopende boeken vanuit het Engels naar het Nederlands. Hij redigeert boeken en schrijft artikelen voor kranten (onder andere De Noordoostpolder), tijdschriften en websites en af en toe een boek. Mats Beets schreef Gaasbeek’s bibliografie41. 


Theo Gaasbeek 42 

Een kortere versie van dit artikel stond verspreid over twee afleveringen in weekblad De Noordoostpolder. In de editie van 30 juli 2014 werd ‘W.F. Hermans en de Noordoostpolder – Deel 1’ geplaatst en in de editie van 6 augustus volgde Deel 2. Beide delen zijn op moment van schrijven nog na te lezen.

Bronnen:
1 Dirk Baartse, Bob Polak & Frederik van der Kamp (red.), De God van Nederland. Jrg. 3, nr. 10, jan-mrt 2014. Hermansnummer met als motto ‘Volg het etterspoor terug’. www.degodvannederland.net 
2 Willem Otterspeer, De mislukkingskunstenaar: Willem Frederik Hermans. Biografie, deel 1 (1921-1952). De Bezige Bij, Amsterdam 2013. 
3 De mislukkingskunstenaar, p. 281. 
4 ‘Onvolledig’. In: De God van Nederland, nr. 10, p. 25. 
5 http://www.willemfrederikhermans.nl/fotos/afbeelding.php?r=2&id=herm014_v13 
6 Hans van Straten, Hermans: zijn tijd, zijn werk, zijn leven (p. 9). Aspekt, Soesterberg 1999. 
7 Ibid. 
8 Ibid., van Straten p. 20-21. 
9 http://www.willemfrederikhermans.nl/fotos/afbeelding.php?r=2&id=herm014_p60 
10 Uit ‘Fotobiografie’, uitgeverij Thomas Rap, Amsterdam 1969; fotografische herdruk door Drukkerij Hooiberg, 2003. 
11 Ibid., van Straten p. 53. 
12 http://www.willemfrederikhermans.nl/fotos/afbeelding.php?r=2&id=herm014_p55 
13 De mislukkingskunstenaar, p. 255. 
14 Eva Vriend, Het nieuwe land: het verhaal van een polder die perfect moest zijn (p. 51-52). Balans, Amsterdam 2013. 
15 http://www.albumacademicum.uva.nl/cgi/b/bib/bib-idx?type=simple;lang=nl;c=ap;rgn1=entirerecord;q1=131.693;x=0;y=0;cc=ap;view=reslist;sort=achternaam;fmt=long;page=reslist;start=1;size=1 
16 Dirk Baartse, ‘Op de universiteit’. In: Hermans-magazine. Jrg. 5, nr.17, dec.1995, p.10-11. 
17 De mislukkingskunstenaar, p. 255-256. 
18 Ibid., p. 256-257. 
19 H.N. ter Veen, De kolonisatiepolitiek in den Noordoostpolder. 1942. 
20 Bob Polak, ‘Waarom Kampen?’ In: Hermans-magazine, nr. 23, juni 1997, p. 77. 
21 Willem Frederik Hermans, De tranen der Acacia’s. G.A. van Oorschot, Amsterdam 1949. 
22 http://www.willemfrederikhermans.nl/tekst/jans037bibl02_01/jans037bibl02_01_0001.htm 
23 ‘Onvolledig’. In: De God van Nederland, nr. 10, p. 25. 
24 Hermans: zijn tijd, zijn werk, zijn leven, p. 58. 
25 http://www.flevolandsgeheugen.nl/5947/nl/vanuit-colijnsplaat-naar-de-noordoostpolder 
26 Hermans: zijn tijd, zijn werk, zijn leven. 
27 Jan Willem Stolk, Nederlands Onderduikers Paradijs: de Noordoostpolder in bezettingstijd. Schalmei, Steenwijk 1984. 
28 Dirk Baartse, ‘Kultuurkamergeleerde’. In: De God van Nederland, nr. 10, p. 38-39. 
29 Hermans: zijn tijd, zijn werk, zijn leven, p. 59-60. 
30 http://wfhermans.net/weinreb/index.htm#kultuurkamer; NIOD – Collectie 104; Nederlandsche Kultuurkamer 
31 Hermans: zijn tijd, zijn werk, zijn leven, p. 65-70. 
32 Ibid., p. 85. 
33 De mislukkingskunstenaar, p. 265-280. 
34 Willem Frederik Hermans, ‘Lou de Jong en de tante van Weinreb’. In: Hollands Diep, 4 dec. 1976. 
35 Ibid. 
36 Willem Frederik Hermans, ‘Lou de Jong en de tante van Weinreb’. In: Willem Frederik Hermans, Houten leeuwen en leeuwen van goud (p. 241-251; p. 398). De Bezige Bij, Amsterdam 1979. 
37 De mislukkingskunstenaar, p. 256. 
38 Het nieuwe land, p. 121-122. 
39 http://collectie.nieuwlanderfgoed.nl/AtlantisPubliek/detail.aspx?xmldescid=454368 
40 Willem Frederik Hermans, De tranen der Acacia’s (19e druk). G.A. van Oorschot, Amsterdam 1985. 
41 http://www.schrijversinfo.nl/gaasbeektheo.html 
42 Theo Gaasbeek, 3 mei 2015; foto Connie Gaasbeek. 
43 http://www.denoordoostpolder.nl/geen-categorie/57766/w-f-hermans-en-de-noordoostpolder/  

 

>>>Willem Frederik Hermans en de Noordoostpolder

Wij helpen u graag verder

neem contact op