0321 - 38 19 65

Crashpaal 11 NOP : Lancaster GT-Z


                             

 

Het toestel JA702 is afkomstig uit de productiereeks JA672 - JB748. Het was één van de 550 Lancasters die eind 1941 waren besteld bij de A.V. Roe Aircraft Company in Chadderton. De toestellen werden van juni 1943 tot december 1943 afgeleverd als type MkIII. In het begin van de productie installeerde men Merlin 28-motoren, in middenproductie de Merlin 28 of 38 en in de late productieperiode uitsluitendMerlin 38-motoren. Lancaster III JA702 werd op 21 juli 1943 afgeleverd aan het RAF No 156 Squadron.

JA702 nam deel aan de volgende missies: 

Hamburg                  27/28 juli 1943                                                                                                                         
Hamburg                  2/3 augustus 1943;                                                                                                                     Peenemunde           17/18 augustus 1943;                                                                                                            
Mannheim                23/24 september 1943;                                                                                                            
Berlijn                        23/24 november 1943; – missie afgebroken;                                                                                  Berlijn                        29/30 december 1943;                                                                                                                       
Berlijn                        30/31 januari 1944; - niet teruggekeerd. 

Tot het moment van de crash had het toestel 95 vlieguren gemaakt. 

DE BELEVENISSEN VAN EEN ‘ODD BOD’ NAVIGATOR

William Cottam werd, na zijn opleiding tot navigator, met zijn nieuw samengestelde crew bij het No 156 Squadron geplaatst. Daar aangekomen was het niet direct tijd voor actie. Dit gold echter niet voor de piloot, want het was de gewoonte dat een nieuwbakken ‘skipper’ zijn eerste operationele vlucht met een ervaren crew uitvoerde om ervaring op de doen. Die traditie werd voortgezet en samen met zijn crewleden wachtte Cottam op de terugkeer van hun piloot. Hij zou echter niet terugkeren en voor de achterblijvers was dit een signaal dat een operationele vlucht geen spel was,maar een zeer serieuze aangelegenheid.

Cottams crew kreeg een andere ervaren piloot toegewezen en was hiermee direct volledig operationeel inzetbaar. Bij twee van de drie missies was het doel Berlijn en het leek erop dat Bomber Command de Duitse hoofdstad steeds vaker op het programma had staan. Onder de vliegers ontstond de koosnaam ‘mail run’ voor dergelijke opdrachten. Op 1 januari 1944 voelde Cottam zich ziek. Hij had het idee dat dit door de nieuwjaarsfestiviteiten kwam. Zich ziek melden wilde hij niet, maar daar dacht zijn ‘skipper’ anders over. Cottam melde zich in de ziekenboeg, terwijl zijn crew met een vervangende navigator op missie ging, wederom met de bestemming Berlijn. 

Cottam werd na een verblijf van tien dagen uit het ziekenhuis ontslagen. Hij meldde zich bij zijn commandant, die hem vertelde dat zijn toestel en crew niet waren teruggekeerd van een missie. Er ging een schok door Cottam heen. Onder de vliegers heerste het bijgeloof dat het ongeluk bracht als een ‘odd bod’ (een vreemde) zich bij een bestaande crew voegde. Hij begon zich af te vragen of hier daadwerkelijk een kern van waarheid in zat. Hij zou spoedig antwoord krijgen op zijn vraag.Na zijn ziekenverlof werd Cottam aangesproken door de piloot van het toestel JA702, ‘Z for Zebra’. Zijn navigator had bindvliesontsteking, dus hij was op zoek naar een vervanger. Cottam moest wachten tot zijn nieuwe crew op de basis zou arriveren en ging op het aanbod in. De volgende dag stond er weer een nachtmissie op het programma. De crew maakte een testvlucht en alles verliep prima tot de laatste test. De piloot zette de propellers in vaanstand (stilstand) om ze daarna weer aan te zetten. Drie van de vier motoren weigerden dienst en dit maakte terugkeer naar de basis om te landen noodzakelijk. Tot overmaat van ramp weigerde ook het landingsgestel nog te vergrendelen. Pas op het laatste moment gaf het branden van het groene lampje aan dat het veilig was om een gewone landing in te zetten. De landing verliep perfect, maar nu lieten de remmen het afweten. Met 145 kilometer per uur raasde de JA702 over het gras om zich vervolgens tegen een hek met de neus in de grond te boren. De bemanning was ongedeerd maar het toestel moest gerepareerd worden. Bracht een vreemde tussen een bestaande crew dan toch het nodige ongeluk? Cottam werd er niet geruster op.

In een reservetoestel vloog de crew een aantal missies op Berlijn en keerde zonder problemen terug. Cottam voelde zich één met zijn nieuwe crew en het ongeluk leek te zijn verworden tot een incident dat achter de rug was.

In de nacht van 30 op 31 januari zou JA702 weer naar de Duitse hoofdstad vliegen. Deze missie naar Berlijn werd uitgevoerd door 534 toestellen: 440 Lancasters, 82 Halifaxes, en 12 Mosquito’s. JA702 zou tussen 17.05 uur en 17.30 uur, samen met vijftien andere Lancasters van het No 156 Squadron, vanaf vliegveld Warboys vertrekken. Het toestel steeg als vierde op, om 17.08 uur plaatselijke tijd.

 

De heenweg naar het doel verliep volgens plan en de Duitse poging om de stroom bommenwerpers boven zee te onderscheppen mislukte. JA702 had het doel zonder kleerscheuren bereikt en dropte zijn markeringen op de juiste plaatst. Cottam keek naar buiten en zag de rode en groene indicators op de grond branden. Nu de klus geklaard was, werd direct de terugtocht ingezet en Cottam dacht voornamelijk aan de eieren met spek die ze zouden krijgen nadat ze waren geland. 

Cottam meldde de piloot dat ze zich op vijf minuten van de Nederlandse kust boven Vollenhoven bevonden. De woorden waren nog maar net uitgesproken toen ze werden beantwoord door het angstaanjagende geluid van scheurend aluminium. Het vliegtuig dook daarop plotseling steil naar beneden. Een Duitse nachtjager van het NJG1 had het Britse toestel zwaar beschadigd. Piloot Rule probeerde het toestel op te trekken en riep daarbij de hulp in van de bommenrichter en de flight engineer.De drie trokken met vereende krachten aan de stuurkolom en wisten de neus omhoog te krijgen. Het vliegtuig won zowaar weer hoogte. Rule gaf het order om het vliegtuig te verlaten. Cottam had de gewoonte om bovenop zijn parachute te zitten omdat dit hem meer hoogte gaf bij zijn werk. In een mum van tijd had hij de parachute aan het harnas op zijn borst bevestigd. Een tel later werd alles zwart voor zijn ogen. 

Cottam kwam weer tot bewustzijn en bemerkte dat hij vochtigheid op zijn gezicht voelde. Weer bij zinnen, kwam hij tot de conclusie dat dit door regen kwam en dat hij door de lucht richting het aardoppervlak raasde. Onnatuurlijk kalm reikte hij naar de ring die zijn parachute zou openen. Het valscherm ontvouwde zich en trok de parachutist met een ruk omhoog. Langzaam daalde hij neer. Na de landing ontdeed Cottam zich van zijn parachute en dacht bij zichzelf: “Geen spek en eieren voor mij vannacht.”

Cottam vroeg zich af of de andere crewleden zich hadden weten te redden. Verder probeerde hij erachter te komen waar hij was. Van wat hij aan het landschap kon zien, en aan de hand van de laatste positiebepaling in het vliegtuig, moest dit de Noordoostpolder zijn. Hij ging op weg en was dankbaar voor zijn kennis van astronavigatie. Hij hield de poolster links van hem en na twintig minuten lopen zag hij een eindje verderop een silhouet van een man die aan de andere kant van een dijk liep. Hij liet zich op de grond vallen omdat hij dacht dat het het silhouet van een Duitse soldaat was. De figuur passeerde op een afstand en Cottam zag dat hij struikelde, waarop hij iets riep met een duidelijk Iers accent was. Het kon niet missen: dit moest Patrick Coyne zijn, de man die zojuist nog naast Cottam in het toestel had gezeten. Cottam riep zijn naam en ‘Paddy’ reageerde. De twee waren herenigd en Paddy vertelde dat hij hetzelfde als Cottam had ervaren. Hij had geen flauw benul hoe hij uit het vliegtuig gekomen was. De twee namen daarom aan dat het toestel in tweeën was gebroken en dat ze er  uit geslingerd moesten zijn. Het lot van de andere crewleden was hen nog steeds onbekend.

De twee mannen vervolgden hun weg en even later zagen ze een licht schijnen. Het licht was de ene keer fel en dan weer zwakker. Ze dachten aan een Duitse patrouille en zochten naarstig naar een schuilplaats. Die vonden ze onder een dijkbruggetje. Het licht kwam dichterbij en de stemmen die ze hoorden kwamen op hen over als Duits. Dicht tegen de dijk aangedrukt en beschermd door de planken van het bruggetje, wachtten Cottam en Coyne op wat komen ging. De stemmen waren nu erg dichtbij en een van de zoekende personen liet zich langs het bruggetje glijden. Hij raakte de voet van Cottam. Cottam dacht dat hij erbij was en liet zich zien. In plaats van de verwachte soldaten zag hij drie burgers die meldden van het verzet te zijn. Ze hadden het toestel zien neerkomen en waren op zoek naar overlevenden. 

Cottam en Coyne werden meegenomen naar een leegstaande fabriek. De verzetsmensen wilden eerst vaststellen of de twee wel echt geallieerde vliegers waren. De volgende dag werden ze naar het politiebureau in Vollenhoven gebracht. De dienstdoende agent nam alle spullen in die de vliegers met Engeland in verband kon brengen. Cottam had een hoofdwond opgelopen bij de crash en een verpleger deed zijn intrede om de wond te verzorgen. Daarna vertrokken ze per ambulance naar Oostermeer, nabij Bergum in Friesland. Ze doken onder bij dokter Van Leeuwen en zijn vrouw.

Eind juli verlieten ze Oostermeer en namen de trein van 08:00 uur op het dichtstbijzijnde station. Ze reisden via Leeuwarden en Zwolle naar ’s-Hertogenbosch. Onderweg beleefden ze een hachelijk moment toen bij een tussenstop drommen Duitse soldaten in de trein stapten. Omgeven door de Wehrmacht voelden ze zich nogal opgelaten en dit gevoel werd versterkt toen de Duitser die naast Cottam zat in slaap viel, waarbij zijn hoofd op de schouder van de Engelsman viel. Desondanks bereikten ze onopgemerkt hun eindstation.

Cottam en Coyne vonden hun contactpersoon en hij bracht ze per fiets naar hun eindbestemming. De twee verbleven van 31 juli tot 3 augustus 1944 aan de Hoofdstraat 209 bij Simon de Cock in Kaatsheuvel. De Cock was lid van verzetsgroep André uit midden Noord-Brabant. Op de radio hoorden ze dat de Amerikanen naar Parijs oprukten. De Britten vorderden ook gestaag richting het noorden. De vrijheid van de twee mannen kwam dus steeds iets meer binnen handbereik, al moesten ze nog vele kilometers overbruggen om de geallieerde linies te bereiken.


                                  Foto:   Coyne (links) en Cottam schillen aardappels op het dakterras in Kaatsheuvel.                                        

Vanuit Kaatsheuvel ging de reis naar België. Ze maakten een tussenstop in Antwerpen en stapten een kroeg binnen. Een andere contactpersoon zou hen verder begeleiden. Een tijdje later voegde een jonge vrouw zich bij de twee vliegers. Ze nam hen mee naar een veilig adres in Antwerpen. Ze verbleven daar een paar dagen toen hen werd verteld dat de Britten optrokken richting de Belgische grens. Dit nieuws deed de twee besluiten het erop te wagen en hun weg te vervolgen richting de oprukkende Engelse troepen. Een dag later, op 7 augustus, gingen ze erop uit, vergezeld door twee gidsen. Ze liepen door Antwerpen en op een gegeven moment werd hen verteld dat om de volgende hoek een auto klaar zou staan. Ze stapten de hoek om en liepen door een groot ijzeren hek. Het eerstvolgende dat ze zagen was een man in een zwart uniform van de SS.

Cottam en Coyne werden gevangen genomen en naar de gevangenis in Brussel gebracht. Een week later werden de twee als krijgsgevangenen geregistreerd bij ondervragingscentrum Dulag Luft West te Oberursel, nabij Frankfurt. Cottam en Coynewerden geplaatst in Stalag Luft 7 in Bankau. Later werden ze verplaatst naar Stalag III-A in Luckenwalde. Ze verbleven daar totdat ze op zondag 22 april 1945 werden bevrijd.

In Antwerpen zijn door verraad 177 vliegers aan de Duitsers overgeleverd. De kwade genius achter dit verraad was René van Muylem die met zijn handlangers, waaronder enkele Nederlandse ‘dames’, een fikse kink in de kabel was voor de ontsnappingslijn waaraan hij verbonden was. Honderd van de 177 vliegers waren afkomstig uit Nederland. Van Muylem is voor zijn daden berecht en werd op 29 mei 1948 gefusilleerd.

De verliezen bij de missie in de nacht van 30 op 31 januari 1944 bedroegen 33 toestellen - 32 Lancasters en één Halifax - ofwel 6,2 procent van de ingezette strijdmacht. JA702 was één van de twee Lancasters die het No 156 Squadron verloor tijdens deze operatie. De ander was de Lancaster III JB302. De overige bemanningsleden die in de brokstukken van het vliegtuig zaten opgesloten, stortten met het toestel neer in de Noordoostpolder.Buiten Cottam en Coyne overleefde niemand de crash. De omgekomen bemanningsleden werden op 10 februari 1944 begraven op het erehof in Vollenhoven.

Klik hier om de gegevens van deze crashpaal als pdf te lezen

>>>Crashpaal 11 NOP

Wij helpen u graag verder

neem contact op